Veertien leerlingen van de Quakerschool Eerde zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog  (1940-1945) omgekomen. Ze dachten een veilig onderkomen te vinden in kasteel Eerde aan de Hammerweg in de gemeente Ommen. Hun dromen werden echter wreed verstoord door de Duitse inval. Hun leven eindigde in de concentratiekampen.

De internationale Quakerschool Eerde werd in de jaren dertig van de vorige eeuw opgericht. Al spoedig werd de school een opvangplek voor Duits-Joodse vluchtelingenkinderen: zij woonden op de school en volgden daar de lessen. De Quakers wilden kinderen die voor het fascisme uit hun eigen land moesten vluchten onderwijs en een veilig onderdak geven in Nederland. Het pakte heel anders uit.

In mei 1940, toen de Duitse legers Nederland binnenvielen, waren er nog bijna twintig Joodse kinderen op de school in kasteel Eerde. Een aantal dook onder, anderen voegden zich bij hun familie. Een groep van negen leerlingen bleef in Eerde achter en gaf gevolg aan de oproep zich ‘vrijwillig’ te melden voor Kamp Vught.

Jodenvervolging

Op het moment dat de Joodse bevolking zich op het gemeentehuis moet laten registeren en ook verplicht is de “Jodenster” te dragen gaat het om 54 Joden in Ommen. 21 van hen zijn afkomstig van de Quakerschool Eerde: de leraren Elisabeth Schmitt, Otto Reckendorf en Heinz Wild en totaal 18 Joodse leerlingen. Joodse kinderen mochten van de Duitser geen scholen meer bezoeken. Daarom werden de Joodse leerlingen van Eerde geconcentreerd in villa De Esch op het landgoed.

Als gevolg van de door de Duitsers opgezette Jodenvervolging gaan de eerste treinen richting Westerbork in de nacht van 14 en 15 juli 1942. Onderduiken is de enige kans om een transport naar een vernietigingskamp te ontlopen. Niet ver van het kasteel aan de Steile Oever in het huis het Weversnest worden totaal 7 Joodse leerlingen ondergebracht. De overige scholieren blijven op De Esch.

Van de achttien duiken er uiteindelijk vier onder (Claus Bock, Clemens Brühl, Liselotte Brinitzer en Thomas Maretzki), werd er één op zijn vlucht gepakt (Robert Wolf) en voegden vier zich bij familie in Amsterdam (Kurt Rosenthal, Otto-Edgar Rosenstern, Steffi Pinner en Klaus Herzberg). Kurth Rosenthal, Otto-Edgar Rosenstern en Steffi Pinner worden bij razzia’s opgepakt. Klaus Hertzberg meldde zich met zijn familie in Westerbork. De overige negen (Ursula-Lore Bein, Bernd Leffman, Rosemarie Oppenheimer, Klaus Metz, Walter Vohssen, Ernst Binswanger, Herman Isaak, Klaus Seckel en Ernst-Rudolf Reiss) bleven op de Esch.

Op 10 april 1943 worden de 9 Joodse leerlingen op transport gesteld naar kamp Vught en van daaruit naar verschillende kampen. Ze overleven de werk- en vernietigingskampen niet. Klaus Seckel en Ernst-Rudolf Reiss worden op 20 mei 1943 overgeplaatst naar Westerbork. Op 4 september 1944 gaan beiden op transport naar Theresiënstadt. Klaus Seckel gaat met het transport van 16 oktober naar Auschwitz, Ernst op 28 oktober. De mannen tussen 15 en 50 jaar van Klaus Seckel’s transport worden over het algemeen voor dwangarbeid ingezet. Klaus Seckel sterft uiteindelijk bij de ontruiming van Auschwitz in januari 1945. Ernst-Rudolf Reiss wordt op 26 januari 1945 doodgeschoten. Op 21 september 1943 worden Klaus Metz, Ernst Binswanger, Ursula-Lore Bein, Hermann Isaak, Bernd Leffmann en Walther Vohssen naar Auschwitz getransporteerd, waar ze korte tijd daarna vergast en vermoord worden.

Behalve de eerder genoemde 9 leerlingen gaat het ook om de volgende vijf scholieren die de Tweede Wereldoorlog niet hebben overleefd: Kurt Rosenthal en Otto-Edgar Rosenstern. Zij worden opgepakt bij de grote razzia van juni 1941 in Amsterdam. Beiden verloren hun leven in Mauthausen. Steffi Pinner en Klaus Herzberg, die de school al eerder hadden verlaten om bij familie in te trekken worden opgepakt. Op 16 maart meldt Steffi Pinner zich in kamp Westerbork. Op 10 juli wordt ze op transport gesteld naar Sobibor en daar drie dagen later vermoord. Klaus Herzberg meldt zich op 5 augustus 1943 in Westerbork. Daar moet hij in elk geval zijn medeleerlingen Klaus Seckel en Ernst-Rudolf Reiss, die hij al een jaar niet meer gezien had, getroffen hebben. Met hen gaat hij op 4 september 1944 op transport naar Theresiënstadt. Op 29 september wordt hij overgeplaatst naar Auschwitz, waar hij enige dagen later wordt vermoord. Ulrich Sander hoeft niet op transport. Hij wordt na een razzia opgepakt en in een gevangenis vastgehouden en probeerde meerdere malen te vluchten. Daarna wordt hij zo mishandeld dat hij op 10 juli 1945 op 17-jarige leeftijd in het ziekenhuis in Enschede overlijdt.

Klaus Seckel

Klaus Seckel is één van de negen kinderen die achterbleven op Eerde. In 1937 komt Klaus Seckel als 8-jarige op de school in Eerde, nadat hij zijn ouders van 1937 tot zomer 1940 sporadisch heeft gezien en van 1940 tot 1943 helemaal niet. Hij ontmoet ze voor het eerst weer in Auschwitz. Op 4 september 1944 gaat Klaus Seckel op transport naar Theresiënstadt. Korte tijd daarna wordt hij overgeplaatst naar Auschwitz. Zijn ouders overleven het concentratiekamp. Klaus niet. Bij de ontruiming van kamp Auschwitz in januari 1945 komt hij om.

Klaus Seckel schreef met regelmaat tijdens zijn verblijf in kamp Vught en Westerbork briefkaarten of brieven aan mevrouw E.Schmitt, die geadresseerd waren aan De Esch, Eerde bij Ommen. Elisabeth Schmitt was een Joodse lerares op de Quakerschool in Eerde en getrouwd met een niet Joods echtgenoot.

De brieven zijn in het Duits opgesteld. Alle in- en uitgaande correspondentie zijn door het kamp voorzien van een censuurstempel of de tekst “Geprüft”. (onderzocht). Ook Klaas Metz stuurt een briefkaart naar mevrouw Schmitt.

Klaus Seckel meldt in zijn correspondentie ook vaak hoe het met Ernst-Rudolf Reiss en Klaus Herzberg gaat, die ook beiden in Westerbork zitten. Ernst-Rudolf schrijft op een kaartje van Seckel er nog een keer bij dat hij als elektricien werkt in het kamp. Deze brieven zijn te zien op de tentoonstelling “Ommen 70 jaar bevrijd” in het Ommer Streekmuseum.

Monument

Op de westelijke oever van de gracht in de kasteeltuin van Eerde is een klein monument geplaatst. Het monument, een gedenksteen, herinnert de namen van de 14 leerlingen van de Quakerschool Eerde die tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn vermoord. Ook komen de 14 namen voor op het nieuwe monument bij het oorlogsmonument aan de muur van het gemeentehuis in Ommen. De onthulling daarvan is op 11 april 2015, de dag waarop Ommen viert dat het 70 jaar geleden werd bevrijd van de Duitse bezetting.

Kasteel Eerde monument

Foto : het monument in de kasteeltuin van Eerde met de namen van de 14 omgekomen leerlingen

Quakers

Op 4 april 1934 werd op het landgoed Eerde door Nederlandse Quakers een lagere en middelbare school met internaat begonnen. Kasteel en bijgebouwen waren ter beschikking gesteld door eigenaar Ph. D. baron van Pallandt van Eerde. De Quakers wilden Duits-Joodse kinderen die voor het fascisme moesten vluchten onderwijs en een veilig onderdak geven. De Quakerschool Eerde heeft tot aan de Duitse bezetting in 1943, aan tenminste driehonderd kinderen in de leeftijd van 7 tot 20 jaar, die om politieke redenen Duitsland moesten verlaten, tijdelijk vrijheid en opluchting geboden in een neutrale omgeving. Het onderwijs was gebaseerd op Quakeridealen waarbij de ontplooiing van het kind door muziek, sport en praktisch werk net zo belangrijk was als de leerstof. In 1939 kwam er een landbouwschool bij om na de opleiding de emigratie te vergemakkelijken. Eind 1935 waren er al bijna 100 leerlingen, waarvan 13 Nederlands en 3 Brits. Van 1935 begonnen ook Engelse leerlingen de school te bezoeken. Maar het aantal Duitse kinderen bleef ver in de meerderheid en zou vanwege de verslechterende situatie voor Joodse kinderen en van politieke vervolgden in Duitsland alleen maar toenemen. Eind 1940 waren en tussen de 60 en 70 leerlingen. Met Kerst 1940/1941 bleven 30 kinderen op Eerde omdat ze geen huis meer hadden. De school bleef nog draaien tot december 1943. Op 30 november 1943 kreeg de eigenaar van kasteel Eerde Duitse orders om per 15 december het kasteel ontruimd en de school gesloten te hebben. Geëvacueerde kinderen van de Hitlerjugend uit Osnabrück trokken in het kasteel.

Bron: Harry Woertink